Spring naar inhoud

Werken ‘in de bollen’

Het was thuis geen armoede, maar ook geen vetpot. Het grootbrengen en laten studeren van vier jongens was alleen mogelijk door het financieel instinct van mijn vader, die een heel systeem van spaarpotjes ontwikkeld had om rond te kunnen komen van een niet al te ruim onderwijzerssalarisje. Mijn moeder struinde alle aanbiedingen en koopjes af om het beperkte huishoudgeld zo nuttig mogelijk te besteden. Ik moet zeggen dat ik daar als jongen heel weinig oog voor had. Ik was meer bezig met wat er allemaal niet kon, want op het gym zaten kinderen uit gegoede gezinnen. Ze woonden in villa’s en grote huizen in Bloemendaal en Aerdenhout. Hun vaders waren dokter, professor, ingenieur, noem maar op.

Nu goed, in de zomervakantie kregen we voor een trektocht een paar gulden reisgeld, maar de rest moesten we zelf bijverdienen. Dat kon mooi ‘in de bollen’, waar in de zomermaanden extra werkkrachten welkom waren. ’s Morgens om half zes zaten we op de fiets, Rob en ik, om om zeven uur in Hillegom te gaan wieden in de bollenvelden of bollen te pellen in de schuren. Een dik pak boterhammen hadden we mee. Bollen pellen heb ik gelukkig maar kort hoeven doen. Het was lastig. Je moest er slag van hebben om het huidje er in één ruk of druk van de vingers af te halen. Je handen gingen stuk. Bovendien moest je opletten dat er geen rotte in de mand kwamen. Af en toe kwam de baas even kijken of het goed ging. Hij leerde ons hoe je de rotte kon herkennen door eraan te ruiken: ze hadden een speciaal geurtje. Ik was er niet goed in en mijn mand vulde zich maar langzaam. De geroutineerde vrouwen raadden me aan om te vragen of ik buiten mocht werken. Dan had je tenminste een vast loon. Zo kropen we voor dag en dauw op onze knieën door de velden van de firma Leeuwenstein.

Twee voorvallen zal ik nooit vergeten. Op een regenachtige dag kropen we in de vroege morgen met een man of zes achter de voorman aan. Het onkruid zat erg vast, was klein en was lastig te onderscheiden van de jonge spruiten van het geteelde gewas. De voorman werkte hard door en lag al gauw voor, ons met ruwe grappen tot spoed manend. De baas verscheen op het veld, maakte een praatje met de voorman en merkte daarna op dat er wel nauwkeuriger gewerkt moest worden: er bleef te veel onkruid staan. De voorman draaide zich om en zei: ‘Verrek, het groeit achter je kont weer op!’

En dan die keer dat Rob, die toen trouwens nog Bob heette, een titel verwierf. Tussen de middag schaftten we ergens in een bollenschuur op het terrein. Op een keer gingen we na het schaften naar een wat afgelegen veld om er te wieden. Voor het gemak namen we de fiets mee. Er was over een bepaalde sloot een smal bruggetje met een steil aflopend deel, een laag middendeel en een even steil oplopend deel. Voor de zekerheid stapte ik af. Rob, die later kwam, dacht daar niet aan en reed vanaf het lage brugdeel pardoes het water in. Of was het pardouche? Hoe het zij, proestend en met de waterplanten in zijn haar kwam hij boven en probeerde de wal op te klauteren. Ik stuurde hem terug, het water in: ‘Rob, je fiets!’ Hij wilde daar eerst niet aan, maar begreep ten slotte de noodzaak. Intussen kregen we hulp van de mannen om de fiets op het droge te krijgen. Rob werd naar de bollenschuur begeleid, waar hij bibberend om beurten zijn kleren ging drogen. De moederlijke zorg van de bollen pellende vrouwen heeft hij later in geuren en kleuren uitgemeten. Ik ben naar huis gereden, gauw een kilometer of 15 en weer terug, om schone kleren voor hem te halen. Moeder was niet vrolijk toen ze het hoorde. Er moest extra gewassen worden, maar misschien was er ook iets van moederlijke zorg. In die tijd had ik daar geen oog voor, want ze wist die vaak meesterlijk te verbergen. We mochten van de baas wat eerder naar huis. Bob had intussen op het terrein naam gemaakt en werd massaal uitgezwaaid met ‘ hou het droog, duikbootkapitein’ en ‘kijk uit bij de brug, onderzeeër!’